Ik lees op dit moment, met veel vragen en regelmatig een fronsende blikken, het boek Nahum. Hoe kan een God die we zo graag als liefdevol, vergevingsgezind, toegankelijk en warm zien, toch hier tegelijk worden beschreven als een wrekende God?
Vers 2 zegt: “De Heer is een wrekende God, Hij duldt niemand naast zich. De Heer is een woedende wreker, Hij richt Zijn toorn op Zijn vijanden.” (NBV)
Ik zucht. Mijn maag krimpt een beetje ineen.
Heer, moet ik U dan zien als Iemand die Zijn wraak er zomaar op loslaat? Als Iemand die Zijn boosheid alle ruimte geeft?
En dan lees ik vers 3: “De Heer is geduldig…”
Geduldig?
Wraak en geduld. Kan dat samen?
Een vesting
En dan staat daar, een paar verzen later, vers 7: “De Heer is goed, een vesting in tijden van nood, Hij kent wie bij Hem schuilen.”
Wat een verschil.
Aan de ene kant lees ik over een God die wraak neemt en toornig is. Aan de andere kant over een God die goed is, die bescherming biedt en mensen die bij Hem schuilen persoonlijk kent.
Juist dat woord kent raakt me. God kent degenen die bij Hem komen. Niet op afstand, maar persoonlijk. Hij is goed voor hen. Zorgend. Liefdevol. Beschermend.
En toch blijft het spanningsveld staan.
Hoe verder ik in Nahum lees, hoe meer ik merk dat ik opgelucht ben dat ik aan de ‘goede’ kant sta.
De wraak die in Nahum beschreven wordt, richt zich tegen een macht die zichzelf alles lijkt te kunnen permitteren. Een macht die onderdrukt en zich verheft boven anderen. God komt daartegen op.
Zeker wanneer die macht zich richt tegen Zijn oogappel.
De goede kant
Tijdens mijn gebed merk ik dat er een andere vraag bij me opkomt: Sta ik eigenlijk wel aan de ‘goede’ kant? En wat betekent dat vandaag? Is dat veranderd sinds de overwinning die Jezus heeft behaald?
Ik merk dat ik er vaak, misschien wel onbewust, vanuit ga dat ik niet aan de goede kant sta. Dat ik God benader vanuit zwakte. Vanuit angst voor een oordelende blik. Vanuit mijn falen.
En dat terwijl ik weet dat Jezus juist de overwinning heeft behaald. Dat ik in vrijheid naar Hem toe mag komen. Dat mijn schuld gedragen is en ik Hem vanuit genade tegemoet mag treden.
Mijn hoofd weet dat. Maar mijn gevoel loopt daar niet altijd in mee. Denken, voelen en doen zijn soms drie verschillende dingen.
En misschien is dat precies waarom dit gedeelte uit Nahum me zo bezighoudt. Want wie staat er eigenlijk aan de ‘goede’ kant? We kunnen daar gemakkelijk een wij-zij-verhaal van maken. Wij bij God, zij tegenover Hem. Maar zo eenvoudig voelt het voor mij niet.
God is rechtvaardig. Hij is tegen onrecht. Daar kan ik me iets bij voorstellen. Sterker nog: ik hoop dat Hij tegen onrecht is. Maar is God daarmee ook tégen mensen? Of gaat het in Nahum vooral over machtsmisbruik?
Voor nu…
Ik kies ervoor om maar even te blijven zitten met Nahum.
Met die wrekende God.
Met die goede God.
Met de spanning ertussen.
En misschien ook met de vraag die daaronder ligt:
Durf ik God te vertrouwen, ook op de momenten waarop ik Hem niet begrijp?

Plaats een reactie