Tijdens mijn studies maatschappelijk werk werd ik geraakt door de manier waarop onze maatschappij steeds meer probeert te controleren wie er wel of niet geboren mag worden. Testen tijdens de zwangerschap, statistieken, risico-inschattingen. Er gaan zelfs stemmen op om het bedrag van de ziekte-uitkering die je moet betalen, te koppelen aan de kans dat je kind een beperking heeft of een bepaalde ziekte in zijn leven kan ontwikkelen.

Maar dan denk ik aan mijn broer Olivier, die het syndroom van Down heeft. Wat een zegen was hij in ons leven.
Ja, dingen liepen anders en het vroeg soms de nodige aanpassing van ons gezin. Maar wat een liefde heb ik via Olivier mogen ervaren. De ontzettend warme knuffels, de grapjes die hij op zijn manier probeerde uit te halen, de eerlijkheid als hij iets niet wou of ergens niet mee akkoord ging.
Voor mij was en is mijn broer een rijkdom. Ik denk aan hem terug met veel dankbaarheid in mijn hart.
Ik herinner me nog dat ik in het eerste middelbaar zat, toen een jongen spotte met Olivier. Het raakte me zo diep dat ik in een mum van tijd de pester op de grond gooide en hij in een diepe zandbak belandde (shame on me). De leerkracht die toezicht hield, hoorde wat er gebeurd was en ik werd vrijgesteld van elke sanctie.
Waarom? Omdat mijn broer een beperking had? Of omdat ik voor onrecht opkwam? Ik weet het tot op de dag van vandaag niet.
Een vrije ziel in een kleine stad
Mijn broer verliet soms onverwacht het huis en ging op verkenning door ons kleine stadje. Ja, soms zelfs naakt. Hij wandelde door de straten, gewoon omdat hij daar zin in had. Hij ging soms op bezoek bij de politie omdat hij gefascineerd was door zwaailichten. En hij gaf wel eens een wildvreemde een knuffel, gewoon omdat hij dat belangrijk vond.
En ons stadje kende hem. Ze accepteerden hem. Hij mocht er zijn.
Wat een opvoedingsprincipes heb ik van mijn broer meegekregen! Olivier leeft? vanuit zijn hart. Dat heeft me doen nadenken over mijn eigen leven. Want hoe vrij leef ik eigenlijk?
Is hij diegene met een beperking of ik?
Hij doet wat hij denkt (en ja, soms zijn de gevolgen niet zo romantisch, maar vaak wel lachwekkend). Hij is gewoon en handelt naar zijn ‘zijn’. Vanuit een mooi en helder hart.
Mijn brein? Dat beperkt me soms. Ik toets alles af, evalueer, reflecteer, overdenk en heb soms de indruk dat ik iets moet doen, maar doe het dan toch niet.
Ik bid vaak: “Heer, U hebt de controle. Help me te gehoorzamen en Uw wil te doen vandaag. Help me om me aan U over te geven en mee te bewegen op Uw golf.”
Maar vaak… vaak vind ik dit lastig. Vaak durf ik niet spreken als ik denk dat ik moet spreken. Vaak durf ik niet te zwijgen als ik denk dat ik moet zwijgen.
Een knuffel geven? Een grapje maken? Op bezoek bij de politie of gewoon gaan voor de interesses die God in mijn hart heeft gelegd? Onzekerheid, twijfel of angst dat dingen te veel energie zullen kosten, weerhouden me van totale overgave.
Hoe God naar mij kijkt
Maar hoe ziet God mijn beperking? Hoe kijkt Hij naar mij?
Als iets waarover gelachen of mee gespot mag worden?
Als een last waar de maatschappij of Zijn Koninkrijk voor moet opdraaien?

Of kijkt Hij naar mij zoals ik naar mijn broer kijk?
Ziet Hij de waardevolle dingen die ik mag doen, door Zijn genade? Het plan dat Hij al had voor mijn geboorte?
Kijkt Hij naar de momenten waarin ik wél meebeweeg op Zijn golf?
Misschien is echte kracht niet de afwezigheid van beperking,
maar de aanwezigheid van liefde, puurheid en overgave,
zoals ik die bij mijn broer zag,
en zoals God die in mij ziet.

Plaats een reactie