
Ken je het gevoel dat je je soms echt alleen voelt? Dat je even niet weet wie er écht naast je staat? Dat je God niet kan voelen, of zelfs maar kan bedenken hoe Hij nabij zou kunnen zijn op dit moment?
Onlangs zat ik in de auto. Ik had nog even tijd voor mezelf, vooraleer ik verwacht werd op mijn afspraak. Ik werd stil, deed mijn ogen dicht… en merkte een enorme eenzaamheid op. Een gedachte kwam op: “Ik heb het nodig dat iemand over me waakt, voor me zorgt.” Tegelijk wist ik dat ik als volwassen vrouw voor mezelf kan zorgen. Maar ergens diep van binnen zat dat diepe verlangen: dat iemand naast me kwam staan en gewoon kon zeggen: “Ik zie je pijn, je verdriet. Het mag er zijn.”
Onbegrepen
Op dit moment voel ik me onbegrepen. En juist dat gevoel laat twijfelen: aan mijn pijn, aan de grenzen die ik trek, aan de onmacht die ik voel, aan de zorg die ik wil dragen voor mezelf en mijn gezin.
Ik kan eraan voorbij gaan en doen alsof alles wel goed is, maar het lukt me even niet. Machteloos en worstelend ga ik door het leven. Zoekend naar Gods stem, naar Zijn weg. Maar het blijft stil. Te stil.
Elia in de woestijn
Sinds een aantal maanden heb ik een geestelijke begeleider. Iemand die met me meeloopt in mijn geestelijk leven. Ik deel mijn worsteling met hem: het niet gezien worden, het worstelen met God en mijn gebedsleven.
Samen lezen we het verhaal van Elia, die vlucht voor zijn leven. Elia die het niet meer ziet zitten en dan een engel die hem te eten geeft. Ik merk dat ik het ook prettig zou vinden om een engel te ontmoeten die me gewoon een smoske komt brengen.
De angst en vermoeidheid die Elia voelt, raken iets van mijn eigen angst en vermoeidheid.
Daarna moet Elia veertig dagen door de woestijn. Een plek van zand, warmte, droogte en dorst. Tot hij uiteindelijk in een grot komt, een plek waar hij even kan schuilen.
Mijn eigen grot
Ik word tijdens het gesprek uitgedaagd om me een grot voor te stellen. Een plek waar ik ben.
En ik zie een prachtige grot: met planten, vogels, een waterval en een kampvuur. Een veilige plek waar ik even met al mijn zintuigen kan genieten van wat er is en niet van wat er moet.
En dan… Dan komt in het verhaal Gods vraag naar Elia: “Kom naar buiten.”
Mijn begeleider vraagt ook aan mij of ik naar buiten wil komen. Maar ik merk dat ik niet naar buiten wil. Ik wil blijven. Tot rust komen. Gewoon even zijn.
Mag ik blijven?
Terwijl hij verder leest hoor ik dat Elia óók niet uit de grot komt, maar pas later als God werkelijk verschijnt.
Mijn begeleider vraagt: “Vertrouw je God dat Hij je zal beschermen?” Ik merk dat ik daar moeite mee heb. Ik voel weerstand.
“Hoe zou God reageren als je Hem vraagt om de grot binnen te komen, in plaats van dat jij naar buiten gaat?” Die vraag raakt iets in mij. Ik merk dat het me rust geeft, alsof alles er mag zijn, zonder druk of verwachting.
Hij denkt even mee en zegt daarna dat het misschien goed is om nog even in de grot te blijven. Want als ik naar buiten zou stappen mét verwachtingen over hoe God mij zou beschermen, loop ik het risico teleurgesteld te raken. Dan zou ik in mijn gedachten al snel concluderen dat God gefaald heeft.
God beschermt, maar vaak op een andere manier dan wij ons voorstellen.
Het idee dat ik in de grot mag blijven, doet me deugd. Vooral omdat ik God mag uitnodigen op de plek waar ik nu ben.
Met mijn verlangen om vreugde met Hem te delen, maar ook om te rouwen om wat niet is.
Misschien verlang ik nog steeds naar dat smoske.
Maar misschien… ontvang ik het wel in de grot.
Op de plaats waar ik gewoon mag zijn.

Plaats een reactie