
Op weg
Sommige vriendschappen overstijgen tijd en afstand. Mijn vriendin Joy uit Californië is er zo één. Het voelt alsof onze zielen ooit besloten hebben elkaar niet kwijt te raken, wat er ook gebeurt. Ook al spreken we elkaar jaren niet, zodra we elkaar weer zien of horen, is het alsof er geen moment verstreken is. Onze humor, onze ernst, onze gesprekken, we vallen moeiteloos in hetzelfde ritme.
Een paar zomers geleden was ik bij haar op bezoek. We besloten een wandeling te maken rond een prachtig meer, samen met haar twee zoons. De wandeling zou simpel zijn, vertelde mijn trouwe vriendin Joy. Gewoon rond het meer, niets bijzonders. Met onze waterflessen in de hand en een dosis zomerse vrolijkheid in ons hart, trokken we op pad. Het was zoeken naar de juiste weg en we probeerden soms een pad uit, maar we vonden het niet. We verdwaalden. Elk straaltje schaduw probeerden we te benutten om uit de verzengende Californische zon te blijven. De kinderen zweetten en zuchtten, maar bleven opmerkelijk dapper.
Van zoeken naar weten
Op een bepaald moment was ons water op. Joy ging vooruit om te kijken of er ergens een herkenningspunt was, zodat we de weg konden terugvinden. Maar na overleg besloten we: dit heeft geen zin meer. Het was tijd om rechtsomkeer te maken.
En zo is het soms ook in het leven. Je begint aan iets, vertrouwend op je eigen inzicht, of op wat anderen zeggen, en gaat dapper verder. Je wil niet klagen, je wil niet opgeven. Maar diep vanbinnen weet je: dit is het niet. Soms is het nodig om even te stoppen, om te erkennen dat je de verkeerde weg op bent. Niet uit zwakte, maar uit wijsheid.
Toen we terugkeerden, keek ik omhoog en zag ik ze, drie of vier gigantische vogels cirkelden boven ons. Gieren. Ik zweeg wijselijk bij de kinderen, maar fluisterde later tegen Joy of zij het ook dacht. Ze knikte. Ja, het waren gieren. En hoewel het ergens een hilarisch beeld was, wij als uitgedroogde snackoptie, was het tegelijk pijnlijk raak.
Want ook geestelijk zijn er momenten waarop je merkt: ik ben te lang op deze weg gebleven. Uit trots, uit angst, uit gewoonte. En voor je het weet ben je niet langer een wandelaar, maar een prooi.
Terug naar start
Op de terugweg zagen we een auto. Er zat een man in. Ik vroeg hem de weg, en hij zei dat we nog een paar miles moesten gaan om onze wagen te bereiken. Maar ik keek naar Joy en wist: dit gaan we niet doen. Ik stapte kordaat op de auto af en zei: “U brengt ons terug.”
Voor iemand die vaak twijfelt of beleefd blijft glimlachen, was dit verrassend assertief. Maar het was nodig. Ik deed de autodeur open en ging zitten. Joy en de jongens volgden. De auto was smerig, de geur niet te beschrijven, maar het kon me niets schelen. Deze chauffeur bracht ons terug.
En zo is het ook geestelijk. Soms bereik je een grens. En dan moet je kiezen: blijf je nog wat verder strompelen op eigen kracht, of durf je hulp te vragen, al is het niet in de vorm of verpakking die je voor ogen had?
De genade komt niet altijd in een glanzende limousine. Soms is het een vuile wagen met een (gedwongen) vriendelijke vreemdeling. Maar het is genade. Het brengt je terug naar de bron, waar levend water stroomt en je eindelijk weer op adem mag komen.
En terug op weg
Joy en ik lachen hier nog vaak om. Maar ergens, diep vanbinnen, kijk ik ook met schaamte en verwondering terug. Hoe vaak blijf ik koppig een pad bewandelen dat nergens toe leidt? Waarom durf ik soms geen hulp te vragen? Waarom blijf ik wachten, terwijl de Chauffeur al klaarstaat?
Misschien is dit de uitnodiging voor jou en voor mij: om af en toe stil te staan, omhoog te kijken, naar de gieren of de hemel, en met moed te zeggen: “Niet met mij. Tijd om terug te keren. Tijd om hulp van God en anderen te aanvaarden.”

Plaats een reactie